Tel.: (+32) 03 / 844.25.60
Eikenstraat 80 - B-2840 Rumst-Reet
Fax: (+32) 03 / 844.05.17 - E-mail: advocaat@bergmans-law.be


Print

Publicaties: Aandelenopties

I. Algemeen economische benadering

Een aandelenoptie is een verkoopbelofte waarbij de belover er zich toe verbindt aandelen te verkopen tegen een op het ogenblik van de belofte bepaalde prijs.

Het lot van de optiehouder is verbonden aan de waarde-evolutie van het aandeel. Stijgt de waarde van het aandeel boven de uitoefenprijs van de optie, dan zal hij de optie lichten en, tegen betaling van de lagere uitoefenprijs van de optie, de aandelen verwerven. Indien daarentegen de waarde van de aandelen niet boven de uitoefenprijs uitstijgt, zal de houder de optie niet lichten en zal de optiegever een goede zaak doen. Deze laatste speculeerde immers 'Š la baisse': per hypothese verkocht hij een optie tot aankoop omdat hij ervan overtuigd was dat de waarde van het aandeel zou dalen.

Door het toestaan en verwerven van opties op aandelen, eerder dan de aandelen zelf, wordt een hefboomeffect gerealiseerd. Inderdaad, het verwerven van een optie, voor een geringe prijs, maakt het de optiehouder mogelijk te genieten van de meerwaarde over de gehele waarde van het aandeel, zonder tot de onmiddellijke verwerving, en betaling van de volledige prijs, van het aandeel te moeten overgaan. In de mate dat de waarde van het aandeel boven de uitoefenprijs stijgt, stijgt eveneens de waarde van de optie. Het hefboomeffect heeft dan tot gevolg dat de optiehouder indirect de meerwaarde over de gehele waarde van het aandeel kan genieten, zonder ooit het aandeel (tegen betaling van de volledige prijs!) te hebben verworven.

Daarenboven is het risico voor de optiehouder beperkt. Enkel de koopprijs van de optie is aan het risico onderworpen. Minderwaarden op het aandeel vermijdt hij. Het verkrijgen van de optie maakt het inderdaad mogelijk zonder enig risico op minderwaarden de potentiŽle meerwaarde op het aandeel te realiseren.

De waarde van een optie dient te worden bepaald in functie van de verwachte waarde op de uitoefendatum (of de gemiddelde waarde over de uitoefenperiode). Deze verwachte waarde zal in essentie gebaseerd zijn op een extrapolatie naar de toekomst van de langetermijnwaarde evolutie van het aandeel in het verleden. Deze verwachte waarde dient verdisconteerd te worden, niet alleen met een intrestfactor die de tijdsdimensie weerspiegelt, doch eveneens met een disconto in functie van de graad van risico (b.v. standaard-deviatie) die aan de vooropgestelde verwachte waarde verbonden is. Duidelijk blijkt dat een bevredigend en coherent theoretisch waarderingsmodel kan worden opgebouwd, doch dat de concrete waardering van de waarde van een optie een uiterst subjectieve aangelegenheid is.

De interessering van het individu aan het groepsresultaat en, desgevallend, de remuneratie van persoonlijke inzet, vormen de meest voorkomende objectieven van technieken waarbij aan werknemers de mogelijkheid wordt geboden aandeelhouder te worden van de vennootschap waarin zij tewerkgesteld zijn. Eťn van die technieken is de toekenning door de vennootschap werkgever van optierechten op aandelen van de vennootschap.

II. Aandelenopties en warranten

Aandelenopties moeten duidelijk worden onderscheiden van een aantal andere beleggingsvormen, in de eerste plaats van warranten.

Een warrant is een overeenkomst waarbij de uitgever aan de investeerder het recht en niet de plicht verleent, om in de toekomst een bepaald aantal aandelen of obligaties van de uitgever te kopen, aan een nu vastgestelde prijs of uitoefenprijs . Aldus wordt een onderscheid gemaakt tussen de aandelenwarrant en de obligatiewarrant. Een aandelenwarrant verleent het recht om aandelen aan te kopen, een obligatiewarrant verleent het recht om obligaties aan te kopen.

Ondanks een groot aantal gelijkenissen tussen de warrant en de optie dienen een aantal fundamentele verschillen tussen beide beleggingsinstrumenten te worden benadrukt.

Warranten worden door de onderneming op haar eigen aandelen of obligaties uitgegeven terwijl aandelenopties op aandelen van een derde onafhankelijke onderneming kunnen worden uitgegeven. Daarenboven is de looptijd van een warrant meestal groter dan een jaar. De looptijd van een optie bedraagt gewoonlijk drie, zes of negen maanden.

Wanneer de investeerder zijn warrantrecht uitoefent, worden nieuwe aandelen of obligaties gecreŽerd om de overeenkomst na te komen. Aandelenopties hebben echter steeds betrekking op bestaande aandelen. Bij de uitoefening van het optierecht wordt het bestaande aantal aandelen niet verhoogd.

Tenslotte ligt het aantal warranten bij de uitgifte vast en neemt vervolgens af overeenkomstig het aantal warranten dat wordt uitgeoefend. Het aantal uitstaande aandelenopties kan voortdurend variŽren naargelang van de wens van de uitgever en de invloed van de marktomstandigheden.

III. Vennootschapsrechtelijke aspecten

Het verlenen van een optie op aandelen is een louter contractuele aangelegenheid die, in principe, aan de vennootschap wiens aandelen het betreft, vreemd is. Indien echter de vennootschap-werkgever de optie toestond, zal zij, op het ogenblik dat de werknemer de optie licht, aandelen van zichzelf ter beschikking moeten hebben om te overhandigen aan de werknemer. De oorsprong van deze aandelen heeft, uiteraard, vennootschapsrechtelijke relevantie.
  • Eerste methode

    Een eerste methode bestaat erin dat de vennootschap nieuwe aandelen creŽert met het oog op de overhandiging aan de werknemer die de aandelen-optie licht. Hiertoe dient zij tot een kapitaalverhoging over te gaan. Een kapitaalverhoging vereist een statutenwijziging en dient bijgevolg door de algemene vergadering der aandeelhouders te worden doorgevoerd.

    De techniek van het toegestaan kapitaal vormt een soepeler instrument om een stockoptieplan uit te voeren. Bij het creŽren van het toegestaan kapitaal dient men echter met een aantal elementen rekening te houden. Vooreerst mag niet uit het oog worden verloren dat de door de Algemene Vergadering in de statuten aan de raad van bestuur verleende bevoegdheid terzake slechts voor een maximumperiode van 5 jaar kan worden verleend. Tijdige verlenging van de toegestane bevoegdheid is dus vereist.

    Wel kan het dat in dergelijk geval continuÔteit van de toegekende opties in het gedrang wordt gebracht door een eventuele wijziging in de vereiste meerderheid in de algemene vergadering.

    Vervolgens dient aan de raad van bestuur de mogelijkheid te worden geboden het voorkeurrecht te beperken of uit te sluiten, dit in het belang van de vennootschap. Zonder deze mogelijkheid tot uitsluiting van het voorkeurrecht dienen de nieuw uitgegeven aandelen inderdaad proportioneel aan de bestaande aandeelhouders te worden aangeboden.

    Waar bij een gewone kapitaalverhoging - dit is niet in het kader van het toegestaan kapitaal - de beperking van het voorkeurrecht alleen mogelijk is indien quorum en meerderheid, noodzakelijk voor een statutenwijziging, worden bereikt, dient, in geval van uitgifte in het kader van het toegestaan kapitaal, de mogelijkheid van uitsluiting of beperking uitdrukkelijk te worden voorzien in de statuten. In beide gevallen dient de beperking of opheffing van het voorkeurrecht ingegeven te worden door het belang van de vennootschap.


  • Tweede methode

    De tweede methode waarop de vennootschap de benodigde aandelen kan verwerven is door de inkoop van eigen aandelen. Indien aandelen worden ingekocht voor uitkering aan het personeel, is de tussenkomst van de algemene vergadering niet vereist. In dat geval moeten de aandelen binnen de 12 maanden aan de personeelsleden worden overgedragen (i.p.v. binnen de 24 maanden).

    Verder zijn de normale regels voor de inkoop van aandelen van toepassing, zodat het inkoopaanbod moet worden uitgebreid tot alle aandeelhouders (niet voor beursgenoteerde vennootschappen), de verworven aandelen moeten volstort zijn en de vennootschap mag niet meer dan 10% van haar uitstaande aandelen inkopen. Tenslotte mag de verwerving niet ten laste worden gelegd van het kapitaal of van de gebonden reserves. Indien de aandelen langer dan 12 maanden in portefeuille blijven (24 maanden indien de inkoop door de algemene vergadering werd beslist), worden ze rechtens van onwaarde, wat leidt tot de vernietiging van het certificaat, eventueel gepaard gaande met de bijhorende kapitaalvermindering.

    Opgemerkt weze dat, waar de kost voor de werkgever bij kapitaalverhoging de vorm aanneemt van een rechtstreekse dilutie van de rechten van de bestaande aandeelhouders, deze zich in geval van inkoop van aandelen manifesteert als een cashuitgave voor de vennootschap.

    De uitgifte van aandelenopties moet beschouwd worden als een openbaar beroep op het spaarwezen, in de mate waarin aan elk personeelslid persoonlijk documenten worden verleend die hem recht geven op het verwerven van een bepaald aantal aandelen en/of wanneer de mogelijkheid tot het aankopen van aandelen openstaat voor meer dan 50 personeelsleden. Nochtans kan de Bankcommissie het privaat karakter van de uitgifte erkennen, wanneer deze gericht is op een welbeperkt aantal werknemers.


  • Derde methode

    Zoals reeds aangeduid wordt de term aandelenopties gereserveerd voor het recht, aan de houder van de optie toegekend, om aandelen te kopen aan een vooraf vastgestelde prijs. Een warrant daarentegen verleent het recht in te tekenen op nieuwe aandelen op het ogenblik dat deze door de vennootschap worden uitgegeven. In de praktijk komen gecombineerde optieschema's regelmatig voor, namelijk waarbij de houder het recht krijgt de aandelen te verwerven en aan de vennootschap zelf de keuze wordt gelaten deze aandelen ter beschikking te stellen in het kader van een kapitaalverhoging met nieuwe uitgifte van aandelen, dan wel door eerst aandelen in te kopen om deze aan te bieden aan de houder van de optie.

    Bij uitgifte van aandelen moet vennootschapsrechtelijk een onderscheid worden gemaakt. In het kader van de uitgifte van warrants wordt aan de houder van de warrant van in het begin de vennootschapsrechtelijke mogelijkheid (Juridische zekerheid) geboden op nieuw uitgegeven aandelen te kunnen intekenen. Daartoe dient op het ogenblik van de uitgifte van de warrant zelf reeds de geŽigende vennootschapsrechtelijke procedure te worden gevolgd. Een verschillende situatie biedt zich aan indien de vennootschap een optie op aandelen verleend heeft, en de aandelen uiteindelijk ter beschikking stelt door nieuwe aandelen uit te geven. In dit laatste geval worden de vennootschapsrechtelijke formaliteiten voor het eerst vervuld op het ogenblik van de beslissing tot uitgifte van nieuwe aandelen, wat eveneens impliceert dat de houder van de optie geen vennootschapsrechtelijk afdwingbaar recht heeft op de intekening op nieuwe aandelen. Dit is het gevolg van het feit dat het eigenlijke toestaan van het optiecontract een louter contractuele aangelegenheid is.

IV. Fiscale aspecten

Wat de fiscaalrechtelijke behandeling betreft, dienen twee regimes te worden onderscheiden: het 'vrijstellingsregime' van art. 45 van de wet van 27 december 1984 en het 'algemene fiscale regime' (sinds kort gereglementeerd). Het vrijstellingsregime dient te worden beschouwd als een uitzonderingsregime.
  • Optieplannen die voldoen aan art. 45 van de wet van 27 december 1984

    Optieplannen die voldoen aan de voorwaarden van voormelde wet zijn belastingvrij. Deze voorwaarden worden hierna kort toegelicht: De aandelenoptie kan worden uitgereikt aan werknemers, aan bestuurders met werkelijke en vaste functies en werkende vennoten die op het ogenblik van de uitreiking gedurende minstens ťťn jaar tewerkgesteld zijn in de vennootschap. Bovendien dient de betrokkene op het ogenblik van het lichten van de optie zijn tewerkgesteld bij dezelfde vennootschap, of bij een dochter- of kleindochtervennootschap, of bij een derde vennootschap op wier aandelen hij een optie bezit. De tewerkstellingsvoorwaarde wordt door de administratie zeer strikt geÔnterpreteerd, aangezien deze de mening is toegedaan dat de overplaatsing van de werknemer minder dan ťťn jaar vůůr de optieovereenkomst, zelfs binnen dezelfde groep, de vervulling van bovenstaande voorwaarde verhindert. De optie zelf kan niet alleen slaan op de aandelen van de vennootschap-werkgever, maar ook op die van haar moedervennootschap of grootmoedervennootschap. Hiervoor is wel vereist dat een onweerlegbare band van moeder- of grootmoederschap bestaat met de vennootschap die de werknemer tewerkstelt. Voor de vaststelling van die onweerlegbare band wordt gerefereerd naar de boekhoudwetgeving. Vereist is dat de aandelen - die overigens niet op naam moeten luiden - het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen: bijgevolg komen winstbewijzen en oprichtersaandelen niet in aanmerking voor eventuele optieschema's.

    De optie kan verleend worden zowel met betrekking tot aandelen van een Belgische vennootschap als met betrekking tot aandelen van een buitenlandse vennootschap, onderworpen aan de belasting der niet-verblijfhouders.

    De uitoefenprijs van de optie, die volgens de administratie gelijk moet zijn voor alle werknemers die op hetzelfde tijdstip de optie nemen, mag niet lager zijn dan de beurswaarde (vermeld in de prijscourant gepubliceerd in de loop van de maand waarop de optie wordt verleend) of, voor niet-genoteerde aandelen, de intrinsieke waarde (netto actief gedeeld door aantal aandelen) van het aandeel. Wat de in het buitenland ter beurze genoteerde aandelen betreft, bepaalt de wet dat de minimale optieprijs moet worden vastgesteld volgens de modaliteiten die door de Koning zullen worden bepaald.

    De modelovereenkomst tot aandelenoptie dient door de algemene vergadering van aandeelhouders te worden goedgekeurd. De overeenkomst mag geen handgeld of voorschot bedingen. De optie dient te worden gelicht ten vroegste ťťn jaar en ten laatste zes jaar na datum van de individuele overeenkomst van aandelenoptie tussen werkgever en werknemer.

    Het pakket aandelen dat een werknemer, bestuurder of werkend vennoot via aandelenopties (met vrijstelling van belasting) kan verwerven, is op verschillende wijzen begrensd. Zo mag hij niet meer dan 5% van de door de vennootschap geplaatste aandelen verkrijgen. De absolute begrenzing van 5% van het geplaatst kapitaal heeft slechts betrekking op de aandelen, verkregen in het kader van een belastingvrij optieschema, zodat ook een werknemer die reeds 20% van het kapitaal in zijn bezit heeft, nog 5% bijkomende aandelen kan verwerven in het kader van een belastingvrije aandelenoptie, dit uiteraard op voorwaarde dat voor geen van de reeds verkregen aandelen gebruik werd gemaakt van een belastingvrij optieschema. Daarenboven kan de werknemer per kalenderjaar maar tot 25% van de bezoldigingen - met een maximum van 500.000 fr. - die hij vanwege de vennootschap ontving tijdens het laatste vorige jaar met normale beroepswerkzaamheid, besteden aan het lichten van opties. Een werknemer die zich niet aan een van deze begrenzingen houdt, verliest in zo'n geval volledig, voor het betreffende jaar, zijn recht op vrijstelling.

    De door het lichten van de optie verkregen aandelen moeten gedurende twee jaar worden bijgehouden. De werknemer wordt verplicht de aandelen neer te leggen op de Nationale Bank van BelgiŽ, voor rekening van de Deposito- en Consignatiekas. Deze verplichte neerlegging werd ingevoerd om te vermijden dat de aandelen op naam zouden moeten zijn. Met de aangifte van de werknemer die betrekking heeft op het belastbaar tijdperk waarin de optie wordt gelicht, moet het neerleggingsbewijs worden overgelegd. Met betrekking tot aandelen op naam neemt de administratie er genoegen mee dat de aandelen gedurende een periode van twee jaar in het register van de aandelen op naam of in het register van vennoten ingeschreven blijven op naam van de werknemer.

    Tenslotte kan het voordeel van de belastingvrije lichting van de optie niet worden gecumuleerd met het voordeel van de zogenaamde 'Monory-bis', de aftrek van de aanschaffingsprijs van aandelen van de vennootschap-werkgever. Wie van het optiestelsel wil genieten, moet daarom bij zijn aangifte een verklaring van afstand van de Monory-bis-aftrek, en een bewijs van neerlegging van de aandelen bij de Deposito- en Consignatiekas of - wanneer de aandelen op naam zijn - een afschrift van de overeenkomst, voegen. Uit het bovenstaande volgt dat de termijn tussen de uitreiking van de optie en de verkoop van het aandeel de vennootschap minstens drie jaar bedraagt.


  • Het algemene fiscale regime (vanaf 1 januari 1999)
    • Belastbare bezoldiging

      Het K. B. is enkel van toepassing op aandelenopties die een belastbaar voordeel van alle aard uitmaken in hoofde van de genieter. Dat betekent vooreerst dat het K. B. niet geld voor de zgn. gereglementeerde optieplannen die hierboven werden besproken. Het betekent bovendien dat de forfaitaire waarderingsregels enkel van toepassing zullen zijn wanneer de optie als een beroepsinkomen gekwalificeerd kan worden, b.v. wanneer het optierecht wordt toegekend in het kader van een arbeidsrelatie (in de zin van art. 31 2į lid W.I.B. 1992).

      Het voordeel dat bestaat uit het al dan niet gratis verkrijgen van aandelenopties, wordt beschouwd als een belastbaar beroepsinkomen in hoofde van de genieter, dat tesamen met de andere beroepsinkomsten belast zal worden aan de gewone progressieve belastingschalen van de personenbelasting.

      Belangrijk is dat voordelen uit aandelenopties enkel belastbaar zijn op het moment van de toekenning ervan. Alle mogelijke latere voordelen die voortvloeien uit de opties (zoals winsten uit een latere verkoop van de optie of van de aandelen zelf) zullen belastingvrij zijn in hoofde van de genieters. Vanuit fiscaal oogpunt wordt de optie automatisch geacht te zijn toegekend op de zestigste dag die volgt op de datum van het 'aanbod', tenzij de begunstigde vůůr het verstrijken van die termijn schriftelijk zijn weigering van het aanbod bekend heeft gemaakt aan de aanbieder.


    • Bepaling van het belastbare voordeel

      Het grote voordeel van aandelenopties ligt, naast het feit van een (in principe) eenmalige taxatie op het moment van de toekenning, vervat in de forfaitaire wijze waarop het voordeel bepaald wordt. Terzake moet een onderscheid gemaakt worden tussen beursgenoteerde opties en andere opties.
      • Beursgenoteerde aandelenopties: laatste slotkoersen

        Bij beursgenoteerde opties is het belastbaar voordeel gelijk aan de laatste slotkoers van de optie vůůr de dag van het aanbod van de optie.
      • Andere aandelenopties: Percentage van waarde van onderliggende aandelen

        Het meest voorkomend zijn de niet-beursgenoteerde opties. Bij gebrek aan beurskoers, wordt het belastbare voordeel op een forfaitaire manier bepaald. De basisidee is dat het voordeel gewaardeerd wordt op een percentage van de waarde van de onderliggende aandelen (op het moment van het aanbod van de optie), maar dat die waarde aangepast wordt in plus of in min in welbepaalde gevallen.

        In principe wordt het belastbaar voordeel gewaardeerd op 15% van de waarde van de onderliggende aandelen op het ogenblik van het aanbod. Als de optie wordt toegekend voor een periode meer dan 5 jaar vanaf de datum van het aanbod, wordt de waarde van het voordeel per jaar of gedeelte van een jaar dat de vijf jaar overschrijdt, vermeerderd met 1 % van de waarde van de aandelen.

        De nieuwe wetgeving voorziet echter ook in een halvering van bovenvermelde percentages onder welbepaalde voorwaarden. Die voorwaarden zijn de volgende:
        • de uitoefenprijs van de optie op het moment van het aanbod is definitief vastgesteld op het ogenblik van het aanbod;
        • het risico van vermindering van de waarde van de onderliggende aandelen mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks gedekt worden door de (rechts)persoon die de optie toekent, of door een persoon met wie er een band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat;
        • de optie heeft betrekking op aandelen (de onderliggende aandelen) van de vennootschap bij wie de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend of een ermee gelieerde vennootschap;
        • in de optie-overeenkomst is bedongen dat de optie niet uitgeoefend mag worden vůůr het einde van het derde kalenderjaar na het jaar waarin het aanbod is gebeurd, noch na het einde van het tiende jaar na het jaar waarin het aanbod heeft plaatsgevonden;
        • in de optie-overeenkomst is bedongen dat de optie niet onder levenden mag worden overgedragen;

        Als de optie niet uitdrukkelijk de twee laatstgenoemde bedingen bevat, wordt de waarde van het belastbaar voordeel toch gehalveerd indien de begunstigde zich ertoe verbindt die verplichtingen na te leven. Maar als achteraf blijkt dat hij ze niet nageleefd heeft, moet hij alsnog het verschil bijpassen.

        Bij de waardebepaling van de onderliggende aandelen moet een onderscheid worden gemaakt tussen beursgenoteerde aandelen en andere aandelen. Ingeval de aandelen verhandeld worden op een beurs, is de in aanmerking te nemen waarde naar keuze van de onderneming die de optie aanbiedt, gelijk aan:
        • de gemiddelde koers van de aandelen gedurende de 30 dagen die het aanbod voorafgaan;
        • de laatste slotkoers die de dag van het aanbod voorafgaat.

        De waarde van de niet-beursgenoteerde aandelen is gelijk aan de waarde op het ogenblik van het aanbod, zoals vastgesteld door de onderneming die de optie aanbiedt, op eensluidend advies van, naargelang het geval, de commissaris-revisor, de bedrijfsrevisor of een aangeduid accountant met een vergelijkbaar statuut.

        De waarde van de kapitaalvertegenwoordigende aandelen mag echter nooit lager zijn dan de boekwaarde van de aandelen, zoals blijkt uit de laatst afgesloten en goedgekeurde jaarrekening. In geval van niet-kapitaalvertegenwoordigende aandelen (winstbewijzen), wordt de waarde bepaald overeenkomstig de rechten die aan die deelbewijzen worden toegekend op grond van de statuten van de uitgevende vennootschap.


      • Verhogingen van het forfaitaire voordeel bij gegarandeerde winst

        De onderliggende bedoeling van aandelenoptieplannen is om werknemers financieel mee te laten genieten van de goede gang van zaken van de onderneming via een stijging van de waarde van de aandelen. Een forfaitaire waardering op het moment van de toekenning ondersteunt die bedoeling dus en vormt een fiscale stimulans. Er is natuurlijk een keerzijde aan de medaille. Hoewel het uiteraard nooit de bedoeling kan zijn, is het niet uitgesloten dat de onderneming het achteraf minder goed doet dan ze deed op het ogenblik van de toekenning van de aandelenopties aan haar personeelsleden. In dat geval speelt de forfaitaire waardering in het nadeel van de personeelsleden, in die zin dat ze ook geen rekening houdt met waardedalingen van de aandelen. Aandelenopties zijn dus niet zonder risico's voor werknemers. Vandaar dat bepaalde ondernemingen geneigd zullen zijn hun werknemers in te dekken tegen deze risico's, om hen een bepaald zeker voordeel toe te kennen.

        De nieuwe wetgeving houdt in dergelijke gevallen rekening met dat zekere voordeel bij de vestiging van de aanslag. Als algemene regel geldt dat zoín voordeel belastbaar wordt op het ogenblik dat het zeker wordt. Volgend onderscheid wordt gemaakt:

        Opties "in the money"

        Een eerste mogelijkheid om werknemers een gegarandeerd voordeel te verlenen, is in de optieovereenkomst te bepalen dat de uitoefenprijs van de optie lager is dan de waarde van de onderliggende aandelen op het ogenblik van het aanbod (de optie is "in the money"). Als dat het geval is, dan bepaalt de wetgever dat er op dat ogenblik een belastbaar voordeel werd toegekend, dat, voor het verschil tussen de uitoefenprijs en de waarde van het onderliggende aandeel, een beroepsinkomen vormt op het ogenblik van toekenning, zij het alleen als het meer bedraagt dan de forfaitaire waarde van het voordeel zoals bepaald op het moment van toekenning van de optie (zoniet wordt gewoon het forfait toegepast).

        "Gedekte" opties

        De werkgever kan ook een gegarandeerd voordeel toekennen aan de begunstigde door te voorzien in een dekking tegen een waardedaling van de onderliggende aandelen (het tarief is dan geen 7,5% maar 15%). Dat kan b.v. door het gebruik van verkoopopties, wat inhoudt dat de begunstigde de aandelen tegen een vooraf afgesproken prijs kan terugverkopen aan zijn vennootschap als het aandeel onverhoeds in waarde zou dalen. In dat geval bepaalt de wetgever dat het gegarandeerde voordeel een beroepsinkomen vormt als het meer bedraagt dan de forfaitaire waarde van het voordeel, zoals hierboven uiteengezet.

        Als de optie is ingedekt op het ogenblik van de toekenning ervan, gebeurt de verhoging van het voordeel reeds op het moment van de toekenning. Als daarentegen de dekking is toegekend in de loop van de uitoefenperiode, wordt het voordeel belastbaar op het moment dat het voordeel zeker is.

        Zeker maar onbepaald voordeel

        Een gegarandeerd voordeel kan eveneens worden toegekend door de uitoefenprijs te bepalen als een bepaald percentage van de waarde van de aandelen op het moment van de uitoefening van de optie. De waarde van zo'n voordeel zal pas bekend zijn op het ogenblik dat de optie effectief uitgeoefend wordt. In dergelijk geval wordt het gegarandeerde voordeel belastbaar op het moment dat de waarde ervan definitief vaststaat, maar ook hier slechts als het de forfaitaire waarde van de optie (zoals bepaald op het moment van de toekenning ervan) overtreft. Dit is dus een uitzondering op de regel dat de optie enkel belastbaar is op het moment van de toekenning ervan.


      • Verlaging van het forfaitaire voordeel

        Als aan de werknemer een financiŽle bijdrage gevraagd wordt voor de opties, kan deze in mindering gebracht worden bij de bepaling van het belastbaar voordeel.


      • Bedriifsvoorheffing

        Recent heeft de wet van 22 december 1998 het toepassingsgebied van de bedrijfsvoorheffing verruimd. De nieuwe regels treden in werking op 1 februari 1999.

        Indien een Belgische vennootschap aandelenopties toekent dan is bedrijfsvoorheffing verschuldigd, ongeacht of de toekenning plaatsvindt in BelgiŽ of in het buitenland en ongeacht de identiteit van de begunstigde (inwoner of niet-inwoner).

        Indien een buitenlandse vennootschap met een vaste inrichting in BelgiŽ aandelenopties toekent dan zal slechts bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn in het geval de kosten verbonden met de aandelenopties kunnen worden toegerekend aan de vaste inrichting in BelgiŽ. In dit verband moet worden opgemerkt dat indien de aandelen-opties betrekking hebben op nieuw uit te geven aandelen er geen werkelijke kost is voor de vennootschap die de aandelenopties toekent maar er slechts een verwatering van de aandeelhoudersrechten optreedt. In dat geval zal enkel bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn indien de buitenlandse vennootschap de voordelen ontvangen door de werknemers van de vaste inrichting aanrekent op de winsten van de vaste inrichting.

        Indien een buitenlandse vennootschap zonder vaste inrichting in BelgiŽ aandelenopties toekent aan werknemers van een Belgische dochtervennootschap zal geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn op voorwaarde dat de Belgische dochtervennootschap niet tussenkomt in de uitvoering van het aandelenoptieplan opgezet door de buitenlandse moedervennootschap.

        De bedrijfsvoorheffing is een voorafbetaling op de uiteindelijke belasting verschuldigd in BelgiŽ. Indien de aandelenopties geen belastbare inkomsten uitmaken in hoofde van de begunstigden (bijv. omdat de inkomsten worden vrijgesteld onder een dubbelbelastingverdrag) dan is ook geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd, zelfs al is naar Belgisch fiscaal recht de vennootschap die de aandelenopties toekent, verplicht om bedrijfsvoorheffing in te houden en door te storten.

        Iedere vennootschap die in BelgiŽ bezoldigingen betaalt of toekent en bedrijfsvoorheffing moet inhouden is verplicht om maandelijks een aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te vullen.


  • Identificatie-verplichtingen

    De ondernemingen worden verplicht de voordelen uit aandelenopties te vermelden op de individuele fiche en in de samenvattende opgave. Zoniet worden de verleende voordelen beschouwd als abnormale en goedgunstige voordelen en als dusdanig bij de winst van de onderneming zelf gevoegd.


  • V. Sociale Zekerheid

    Van Eeckhoutte verdedigt de stellingname dat een aandelenoptie in de zin van art. 45 van de wet van 27 december 1984 niet als loon kan worden beschouwd. Deze aandelenoptie biedt slechts een kans op winst voor de werknemer en daarenboven is het niet de bedoeling van een dergelijke optie om arbeid te vergoeden.

    Tot hiertoe huldigde ook de R.S.Z. administratie de mening dat een gereglementeerde aandelenoptie geen aanleiding geeft tot de inning van sociale bijdragen, wegens het niet-waardeerbare karakter van dit soort opties. Het is immers niet zeker geweten dat de werknemer de optie zal lichten, onafhankelijk van eventuele koersstijgingen of koersdalingen. Naar aanleiding van de lichting van de optie is het voordeel niet waardeerbaar omdat het verworven aandeel voor een periode van 2 jaar onbeschikbaar is.

    Met betrekking tot de (vroeger) 'niet-gereglementeerde' aandelenopties heeft de R.S.Z. administratie nog geen standpunt ingenomen. Er ligt echter een ontwerp van KB. ter tafel dat bepaalt dat op alle voordelen die voortkomen uit aandelenopties -geen bijdragen in de sociale zekerheid verschuldigd zullen zijn.


    Bibliografie 'aandelenopties':
    • Van Hoogenbeam, H., Alternatieve loonvormen en parafiscaliteit, in Jorens Y., Van Steenberge, J., Het loonbegrip, Brugge, Die Keure, 1995
    • Pieters, D., 'Stock option plans en sociaal recht', in Balans Fiskoloog Informatiedossier, Kalmthout, Biblo, 1985
    • Haelterman, A., en Laleman, P., Aandelenopties, Venb., afl. 20.
    • Fiscale Actualiteit, 31 maart 1998, 'Voordelen van alle aard', nr. 13
    • Fiscale Actualiteit, 8 december 1998, 'Voordelen van alle aard', nr. 43
    • Geens, K., Aandelenopties, Fiscoloog, 1985
    • Buyst, M., Aandeelhouderschap van werknemers, OriŽntatie, 1986
    • Lycops, J.F., Aandelenopties
    • De Wantelaar, J., FinanciŽle participatie en loon, Mys & Breesch, 1996
    • Haelterman, A., 'Participatieschema's voor werknemers' in Aandelen delen, Kalmthout, Biblo, Dossier Fiskoloog

    Print


    © 2000-2005 Advocatenkantoor Jan Bergmans