Tel.: (+32) 03 / 844.25.60
Eikenstraat 80 - B-2840 Rumst-Reet
Fax: (+32) 03 / 844.05.17 - E-mail: advocaat@bergmans-law.be


Print

Publicaties: "Hardship"-clausules

I. Mogelijkheden en geldigheid van een clausule tot herziening van contractuele bepalingen bij onvoorziene omstandigheden

Niets verhindert partijen om zelf het imprevisierisico contractueel te regelen (1) . Vooral in internationale handelsovereenkomsten komen zogenaamde "Hardship"-clausules regelmatig voor (2) . In het interne handelsverkeer spelen deze bedingen voorlopig geen belangrijke rol, hetgeen toch enige verwondering kan wekken, aangezien de imprevisieleer door de heersende rechtspraak in België niet wordt erkend (zie verder, onder III). De eerbied van de rechtbanken voor de regel pacta sunt servanda maar vooral de terughoudendheid van diezelfde rechtbanken om regulerend op te treden zijn daarvoor verantwoordelijk. Tengevolge van deze houding wordt het risico van de onvoorzienbare omstandigheden, behoudens andersluidende contractuele regeling, volledig ten laste gelegd van de debiteur, die ten allen prijze moet uitvoeren en dit zowel bij eenzijdige contracten als bij wederkerige overeenkomsten. Het is dan ook niet te verbazen dat in vele belangrijke, vooral internationale contracten, een zogenaamde hardship-clausule is opgenomen, waarbij partijen er zich toe verbinden opnieuw te onderhandelen om de nadelige gevolgen voortvloeiende uit onvoorziene omstandigheden op billijke en evenwichtige wijze op te vangen.

II. Mogelijkheid voor PACC n.v. om zich op de contractueel bepaalde "hardship"-clausule te beroepen

De mogelijkheid voor PACC n.v. om zich al dan niet op de contractueel bepaalde "hardship"-clausule te beroepen zal uiteraard in ruime mate afhangen van de redactie van deze clausule. Een onderscheid dient gemaakt tussen overmacht en onvoorziene omstandigheden.

Overmacht duidt op alle redelijkerwijze niet te voorziene voorvallen voorgekomen na de contractsluiting die niet te wijten zijn aan een fout van de schuldenaar en die de uitvoering van de overeenkomst, tijdelijk of definitief, (redelijkerwijze) onmogelijk maken en niet alleen maar moeilijker of kostelijker. Hierin ligt het fundamentele onderscheid met onvoorziene omstandigheden, dewelke de uitvoering van de overeenkomst niet onmogelijk, doch alleen maar moeilijker of kostelijker maken.

Overmacht bevrijdt de schuldenaar, d.w.z. schorst zijn verbintenis op als de overmacht tijdelijk is, dooft ze volledig uit als ze definitief is. Wanneer onvoorziene omstandigheden het evenwicht of de structuur van de overeenkomst ("l’économie du contrat") zodanig aantasten of omverwerpen dat de schuldenaar de eruit voortvloeiende verzwaring van zijn verbintenis redelijkerwijze niet in de koop zou hebben genomen als hij ze voorzien had, of anders geformuleerd: dat het voor de schuldeiser in strijd zou zijn met de goede trouw de schuldenaar tegen de overeengekomen voorwaarden tot uitvoering gehouden te achten, dan, zo is aangevoerd geworden, zou er voor de rechter aanleiding zijn om de overeenkomst op verzoek van de benadeelde partij te verbreken of zelfs om haar aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen.

Afgezien van enkele bijzondere bij wet gemaakte toepassingsgevallen heeft deze zienswijze in België geen ingang gevonden (zie verder, punt 3). Beide theorieën, die van overmacht en onvoorziene omstandigheden, leiden dus, zoals ze in België worden toegepast tot in rechte diametraal tegengestelde oplossingen. Ingeval van overmacht is de debiteur niet meer gehouden zijn verbintenis uit te voeren, bij onvoorziene omstandigheden moet hij wel uitvoeren. Ofschoon de twee situaties dus, wat de rechtsgevolgen betreft zo verschillend zijn, kunnen zij in de praktijk niet altijd even gemakkelijk van elkaar worden onderscheiden. Juridisch bekeken ligt het fundamentele onderscheid immers hierin dat bij overmacht de uitvoering van de overeenkomst onmogelijk, bij onvoorziene omstandigheden alleen maar (enorm) moeilijker of duurder wordt gemaakt. Welnu, dit onderscheid is theoretisch gemakkelijk te maken, niet echter in de praktijk vooral als men voor ogen houdt dat er in de rechtspraak een begrijpelijke tendens bestaat om het vereiste van de onmogelijkheid bij overmacht ruim te interpreteren: "il faut, mais il suffit, que l’exécution soit normalement impossible, eu égard aux circonstances et aux conditions dei vie" (3) , waardoor de twee begrippen "onmogelijkheid" en "bemoeilijking" (van de uitvoering) zeer nauw bij elkaar zijn komen te liggen. Bovendien heeft de ruime formulering van de overmachtsclausule in de (vooral internationale) contractspraktijk eveneens tot gevolg dat het onderscheid tussen "onmogelijkheid" en "bemoeilijking" van de prestatie zeer nauw is geworden, zodanig dat gevallen die onder de leer van de onvoorziene omstandigheden zouden kunnen ressorteren als een geval van overmacht worden beschouwd (4) .

In de praktijk zal de hevige regenval, waarvan PACC n.v. het slachtoffer werd in de casus, waarschijnlijk contractueel als een geval van overmacht omschreven staan, zodat PACC n.v. haar verbintenis kan opschorten in geval van tijdelijke onmogelijkheid, dan wel dat haar verbintenis wordt uitgedoofd in geval de fabrieken zodanig zijn toegetakeld dat de overmacht definitief is.

III. Mogelijkheid om zich op onvoorziene omstandigheden te beroepen

De vraag is of feitelijke omstandigheden die zich onvoorzien na de contractsluiting voordoen en het contractuele evenwicht ernstig verstoren, zonder evenwel overmacht uit te maken, de letter van de overeenkomst kunnen uitschakelen.

Voorstanders van de imprevisieleer, of theorie van de onvoorziene omstandigheden, hebben hun antwoord onmiddellijk klaar: de billijkheid vereist dat de overeenkomst wordt aangepast of ontbonden.

Het Belgische recht wordt echter tot op heden gekenmerkt door een opmerkelijk wantrouwen ten opzichte van de imprevisiegedachte. De onaantastbaarheid van het "pacta sunt servanda"-beginsel verhindert dat rechtsgeldig tot stand gekomen overeenkomsten aangepast worden in gevallen waarin, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht. Op dat gebied staan wij in België, samen met Frankrijk, vrij geïsoleerd ten opzichte van naburige rechtssystemen waarin de imprevisieleer, of een variant ervan, wel rechtsingang heeft gevonden, hetzij via de rechtspraak, zoals o.m. in Zwitserland, Duitsland en Groot-Brittanië het geval is, hetzij op grond van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling, zoals bijvoorbeeld in Italië, Griekenland en Nederland (5) .

De afwezigheid van een imprevisieregeling in het Burgerlijk Wetboek en het stilzwijgen van de Belgische wetgever hadden de rechtbanken ertoe kunnen aanzetten om zelf het initiatief te nemen en regulerend op te treden teneinde het door onvoorziene omstandigheden verbroken contractuele evenwicht te herstellen. Dat is niet gebeurd.

De motivatie en de verwerping van de imprevisieleer vinden we terug in twee cassatie-arresten, het eerste daterend van 19 mei 1921, het tweede van 30 oktober 1924 (6) . Hoewel het hoogste gerechtshof zich in die arresten niet uitdrukkelijk heeft uitgesproken over de leer der onvoorziene omstandigheden, heeft het Hof de toepassing ervan op impliciete wijze veroordeeld door categoriek elke inbreuk op de wilsautonomie en het "pacta sunt servanda"-beginsel af te wijzen in die gevallen waarin de ontbinding of de wijziging van de overeenkomst niet bij wet is geregeld. Billijkheidsoverwegingen, gebaseerd op het ten gevolge van onvoorziene omstandigheden verbroken contractuele evenwicht, kunnen volgens de heersende rechtspraak de contractinhoud niet wijzigen of de toepassing ervan terzijde stellen.

De ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst in geval van onvoorziene omstandigheden wordt algemeen gemotiveerd op grond van de onschendbaarheid van rechtsgeldig tot stand gekomen overeenkomsten. Ongetwijfeld dient ook ingeval van gewijzigde omstandigheden het uitgangspunt te zijn dat overeenkomsten bindend zijn en dat partijen hun contractuele verplichtingen dienen na te komen (7) . Overeenkomsten waarvan de uitvoering niet met het sluiten ervan samenvalt, impliceren immers dat elke contractant een zeker risico op zich neemt.

Is de absolute aanwending van het "pacta sunt servanda"-beginsel nochtans niet aan enige relativering toe wanneer onvoorziene omstandigheden een zodanige toestand veroorzaken dat een partij bij een overeenkomst, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet van haar tegenpartij mag verwachten dat deze zich onverminderd en onveranderd aan het overeengekomene houdt?

De rechtspraak blijft in ieder geval vrij afwijzend staan tegenover de toepassing van de imprevisieleer, al valt er toch enige kentering waar te nemen in de uitspraken betreffende de eventuele aanpassing van de bedongen onderhoudsuitkeringen voor de kinderen in de overeenkomsten voorafgaande aan de echtscheiding door onderlinge toestemming (zie volgende paragraaf). Het Hof van Beroep te Brussel diende zich in een arrest van 22 juni 1984 (8) uit te spreken over een geval waarin een onderneming zich in december 1978 ertoe verbonden had voor een duur van één jaar 15.000 m3 benzine te leveren aan een warenhuis, tegen een aantal vooraf vastgestelde voorwaarden. Tijdens de oliecrisis van 1979 weigerden de normale leveranciers van die onderneming deze nog langer te bevoorraden, zodat ze nog slechts olie kon aankopen op de vrije markt in Rotterdam, tegen zeer hoge prijzen. Omdat het warenhuis niet bereid was om, in strijd met de contractueel bedongen prijsberekening, twee frank per liter meer te betalen, staakte de verkopende onderneming haar leveringen op 1 juni 1979, zich beroepende op overmacht. Zij werd daarin gevolgd door een vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 9 maart 1981 (9) , maar het Hof van Beroep te Brussel besliste dat de boycot door de normale leveranciers van de verkopende onderneming het voor deze laatste niet onmogelijk maar alleen moeilijker maakte haar leveringsverplichting na te komen. Volgens het Hof was er evenwel geen reden om de imprevisieleer toe te passen, omdat de bevoorradingsproblemen van de verkopende onderneming grotendeels aan haarzelf te wijten waren, daar zij, alvorens zo’n belangrijk contract met een warenhuis af te sluiten, kort na de oliecrisis van 1973, eerst haar eigen bevoorrading had moeten veilig stellen. In een arrest van 21 januari 1986 verwierp het Hof van Beroep te Antwerpen (10) de toepassing van de imprevisieleer in een geval waarin de eigenaars van een perceel grond van de exploitant van een benzinestation een recht van opstal op dat perceel hadden verleend voor de wettelijke maximumduur van vijftig jaar, tegen de prijs van 780 fr. per jaar, zonder dat enige mogelijkheid tot prijsherziening was bedongen. Toen de eigenaars van het perceel grond enige jaren later op grond van de imprevisieleer de aanpassing van de huurprijs aan de muntontwaarding vorderden, werden zij door het Hof van Beroep te Antwerpen afgewezen op grond dat het de contracterende partijen vrijstond de veranderlijkheid van de aanvankelijke huurprijs te bedingen op basis van de economische of de financiële conjunctuur, maar dat zij van die mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, en dat het dan ook niet als strijdig met de billijkheid en/of de goede trouw kan worden beschouwd dat de opstalhouder de bedongen huurprijs niet wenst te laten herzien. In een arrest van 6 mei 1987 besliste het Hof van Beroep te Antwerpen (11) dat, wanneer een gemeente met andere gemeenten een overeenkomst sluit waarbij de investeringslasten voor de bouw van een gemeenschappelijk zwembad verdeeld worden in verhouding tot het inwonersaantal van iedere gemeente op een bepaald ogenblik, de latere verhoging van het inwonersaantal van één van de gemeenten als gevolg van haar fusie met een andere gemeente die geen partij is bij dat contract, geen overmacht noch een onvoorzienbare omstandigheid uitmaakt die tot een andere verdeling van de investeringslasten kan leiden.

Veel uitspraken waarin een beroep wordt gedaan op de imprevisieleer hebben betrekking op de casuspositie dat, na een echtscheiding door onderlinge toestemming, een van de uit de echt gescheiden ouders een aanpassing vraagt van de bedongen onderhoudsuitkering voor de kinderen, omdat zich intussen abnormale en onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan in het inkomen van een of van beide ouders die een wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst over de onderhoudsbijdrage verrechtvaardigen. In sommige vonnissen wordt de toepassing van de imprevisieleer als zodanig afgewezen (12) . In andere wordt de theorie niet principieel verworpen, maar wordt de toepassing ervan in het concrete geval afgewezen omdat de aangevoerde omstandigheden, zoals een stabilisering of vermindering van de inkomsten van een van beide ouders, niet onvoorzienbaar was ten tijde van het aangaan van het contract (13) . In de laatste drie gevallen van de in voetnoot 13 aangehaalde rechtspraak oordeelde de rechtbank telkens dat men eerder te maken had met een onvooruitziendheid, d.i. een gebrek aan zorg om normale voorzorgsmaatregelen voor de toekomst te nemen, dan met een onvoorzienbaarheid, d.i. de onmogelijkheid om bepaalde uitzonderlijke omstandigheden te voorzien. In zoverre het gaat om een verhoging van de onderhoudsbijdragen van de ouder die het bestuur over de kinderen niet uitoefent, heeft het Hof van Cassatie steeds een groot respect betoond voor de verbindende kracht van de tussen de ouders gesloten overeenkomst, en zo’n verhoging slechts toegestaan als vaststond dat de ouder met het hoederecht, gelet op zijn inkomen en de door de andere ouder betaalde onderhoudsbijdrage, niet in de mogelijkheid verkeerde om te zorgen voor het nodige levensonderhoud en de vereiste opvoeding van het kind dat hij onder zijn bewaring heeft (14) . Het dient gezegd dat het Hof van Cassatie het begrip "onmogelijkheid" om te zorgen voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen wel erg ruim interpreteert, omdat bij de beoordeling daarvan mede in aanmerking mag worden genomen de leeftijd van de kinderen, evenals het feit dat het normaal is dat zij mede genieten van het comfortabel leven van de ouders (15) . De vraag rijst of het niet wenselijker is om in dergelijke gevallen de imprevisieleer toe te passen, zij het uitzonderlijk en met inachtname van strenge toepassingsvoorwaarden, eerder dan een beroep te doen op een ruime notie van "onmogelijkheid" (16) .


Print

(1) De Page, Traité, II, nr. 587 e.v. alsmede 851 e.v.; Vandeputte, De overeenkomst, p. 181 e.v.

(2) Zie Fontaine, M., "Les clauses de hardship. Aménagement conventionnel de l’imprévision dans les contrats internationaux à long terme", D.P.C.I., 1976, p. 1 e.v.; Van Ommeslaghe, P., "Les clauses de force majeure et d’imprevision dans les contrats internationaus", Rev. Dr. Int. Comp., 1980, p. 50 e.v.; Van Gerven, W., "Langdurige overeenkomsten. Prijsbepaling. Aanpassing wegens onvoorziene omstandigheden. Conflictregeling" in Hulde René Dekkers, Brussel, 1982, p. 396 e.v.; Kruithof, R., "La modification conventionelle du contrat", in Rapports belges au XIIe Congrès international de droit comparé, Brussel, 1986, p. 115 e.v.

(3) De Page, op. cit., nr. 602, p. 601

(4) Daarover meer: Kahn, "Force majeure et contrats internationaux de longue durée", Clunet, 1975, p. 467 e.v.

(5) Voor een rechtsvergelijkend overzicht zie: Philippe, D., Changement de circonstances et bouleversement de l’économie contractuelle, 51 e.v.; Abas, P., Beperkende werking van de goede trouw, Deventer 1972, 221 e.v.; De Wolf, A.L., Veranderde omstandigheden, Tjeenk Willink - Zwolle 1979, 52 e.v.

(6) Cass. 19 mei 1921, Pas., 1921, I, 380; Cass. 30 okt. 1924, Pas., 1924, I, 565

(7) Royer, S., "Pacta sunt servanda en verandering van omstandigheden in het privaatrecht", R.M.T., 1972, 533

(8) Brussel, 22 juni 1984, J.T., 1986, 164

(9) Kh. Brussel, 9 maart 1981, B.R.H., 1982, 164

(10) Antwerpen, 21 januari 1986, R.W., 1986-87, 1488, met noot Deli, D.

(11) Antwerpen, 6 mei 1987, T.B.B.R., 1990, 299, met noot Philippe, D.-M.

(12) Rb. Brussel, 3 december 1985, en Vred. Sint-Joost-ten-Node, 13 februari 1985, T. Vred., 1986, 121

(13) Rb. Luik, 7 mei 1986, Jur. Liège, 1986, 482, met noot J.H.; Rb. Gent, 2 september 1988, R.W., 1988-89, 1338; Rb. Gent, 25 november 1988, T.G.R., 1989, 5; Vred. Harelbeke, 28 augustus 1986, R.W., 1986-87, 2054

(14) Cass., 7 september 1973, Arr. Cass., 1974, 19; Cass., 21 maart 1975, Arr. Cass., 1975, 823; Cass. 14 november 1979, Arr. Cass., 1979-80, 347; Cass., 11 juni 1981, Arr.Cass., 1980-81, 1173; Cass., 12 juni 1986, Arr. Cass., 1985-86, nr. 640;

(15) W.P., noot onder Cass. 12 juni 1986, R.W., 1986-87, 2021; Philippe, D-M, "Changement de circonstances en matière contractuelle" in J.L.-J.L.M.B. Centenaire, Brussel, Story-Scientia, 1988, 293-294.

(16) Voor een pleidooi in die zin: Philippe, D-M, "Changement de circonstances en matière contractuelle" in J.L.-J.L.M.B. Centenaire, Brussel, Story-Scientia, 1988, 294-295; Verbeke A., "Aanpassing van de overeenkomst over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen bij echtscheiding door onderlinge toestemming", R.W., 1988-89, 1315-1316;


© 2000-2005 Advocatenkantoor Jan Bergmans