Tel.: (+32) 03 / 844.25.60
Eikenstraat 80 - B-2840 Rumst-Reet
Fax: (+32) 03 / 844.05.17 - E-mail: advocaat@bergmans-law.be


Print

Publicaties: Persoonlijke Borgstelling

I. Probleemstelling:

De bestuurder stelt zich persoonlijk borg voor zijn vennootschap. Wanneer de borg wordt aangesproken in betaling van de borgsom, kan de bestuurder die som dan fiscaal in mindering brengen in zijn personenbelasting?

II. Antwoord:

In het algemeen kan men stellen dat de feiten getoetst moeten worden aan de bepalingen inzake aftrekbaarheid en bewijslast m.b.t. beroepskosten van artikel 49 WIB 92.
  • De voornaamste voorwaarden inzake aftrekbaarheid en bewijslast m.b.t. beroepskosten kunnen we samenvatten als volgt:

    • Met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid verband houden;


    • Tijdens het belastbaar tijdperk gedaan of gedragen zijn;


    • Gedaan of gedragen zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden;


    • De echtheid en het bedrag moeten verantwoord worden door middel van bewijsstukken;

  • Laten we deze voorwaarden toetsen aan de casuspositie:

    • Laten we aannemen dat de bestuurders van PACC n.v. zich persoonlijk borg hebben gesteld met de bedoeling de n.v. PACC een vlotte start te geven, zodat de bestuurders er een interessant inkomen zouden kunnen uit puren. Het verband met de beroepswerkzaamheid van de bestuurders is dan ook duidelijk.


    • De bestuurders moeten kunnen aantonen dat de som waarvoor zij aftrok vragen in het jaar van aftrek effectief betaald is geweest (of het karakter gekregen heeft van een zekere en vaststaande schuld of verlies). Daarvoor volstaat het dat zij bewijsstukken voorleggen van de juridische stappen die de bank ondernomen heeft om haar vordering veilig te stellen. Daarna kunnen zij, aan de hand van een jaarrekening, aantonen dat de vennootschap niet in staat is deze vordering te betalen. Vermits de bestuurders zich persoonlijk borg hebben gesteld, volgt hieruit dat zij de bank persoonlijk moeten betalen. Zij moeten uiteraard tevens een bewijs van effectieve betaling kunnen voorbrengen.


    • De derde voorwaarde stelt het meeste problemen in de praktijk. Immers, welke handeling moet beoordeeld worden als zijnde gedaan om beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden, opdat de kosten die ermee verband houden al dan niet aftrekbaar zouden zijn:
      • het stellen van de borg?
      • of de effectieve betaling als gevolg van de borgstelling?

    Het Hof van Beroep van Gent oordeelde in een arrest van 18 november 1993 dat de belastingplichtige die als ex-zaakvoerder van een failliete vennootschap de schulden van deze laatste afbetaalt omdat hij zich met zijn privé-vermogen voor de vennootschap borg heeft gesteld, deze betalingen niet van zijn belastbaar inkomen kan aftrekken. Het Hof komt tot deze conclusie op grond van volgende overwegingen:

    Overwegende dat, krachtens artikel 44, 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, als aftrekbare bedrijfsuitgaven of -lasten worden beschouwd de bedrijfsuitgaven of -lasten die de belastingplichtige verantwoordt tijdens het belastbaar tijdperk te hebben gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; dat deze uitgaven aftrekbaar zijn als ze gebeuren in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige en ze bovendien noodzakelijk zijn om zijn inkomsten te verkrijgen of te behouden;

    Overwegende dat niet wordt ontkend dat de failliete PVBA A. geen enkele activiteit meer uitoefent sedert het faillissement van 31 augustus 1982; dat de eiser aldus tijdens het belastbaar tijdperk uit die vennootschap geen enkel inkomen heeft verkregen als zaakvoerder-werkend vennoot. Dat de door hem medegedeelde stukken geenszins het tegendeel bewijzen; dat aldus niet blijkt dat de ingeroepen betaling van de borgstelling hem belastbare inkomsten had kunnen doen verkrijgen of behouden. dat er dus geen direct causaal verband wordt aangetoond tussen deze uitgaven en de inkomsten van de eiser;

    Overwegende dat de aflossing van de bedoelde schuld derhalve niet is gebeurd in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de eiser om zijn belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; dat evenmin bewezen is dat de eiser zou hebben gehandeld om het voortbestaan van de vennootschap veilig te stellen.

    Overwegende dat ten deze integendeel vaststaat dat de eisers de schuld voldeden om te beletten dat hun privé-patrimonium door de schuldeiser, de Generale Bankmaatschappij, zou te gelde gemaakt worden;

    Het Hof stelt zich m.a.w. op het moment van de effectieve betaling als gevolg van de borgstelling.

    Het Hof van Beroep te Antwerpen is in een arrest van 9 januari 1995 een geheel ander mening toegedaan i.v.m. deze problematiek. De administratie weigerde de aftrek van de betaling door zich te steunen op de (oude) administratieve commentaar nr. 44/470. Ze betwiste het beroepsmatig karakter van de betaling omdat de vennoot niet gedreven zou zijn geweest door een zorg van algemeen belang met het doel een eventuele ineenstorting van de vennootschap te vermijden. De vennoot zou uitsluitend gehandeld hebben om zijn privé-patrimonium veilig te stellen. Het Hof volgt de Administratie niet:

    Overwegende dat het verbinden van de effectieve betaling van appellant aan het aanslagjaar 1987, enkel een gevolg is van een fictie van de fiscale wet en uitsluitend van belang is om uit te maken voor welk aanslagjaar de betaling de aard van bedrijfslast krijgt;

    Overwegende dat deze fictie echter niet kan vermijden dat men zich voor de beoordeling van het bedrijfskarakter moet transponeren naar 1983, het jaar waarin ‘X’ als werkend vennoot de door de kredietinstelling vereiste zekerheid verleende om zijn vennootschap operationeel te maken en aldus zelf bedrijfsinkomsten te verwerven.

    Het Hof bepaalt dat, om te beoordelen of een betaling door een borgsteller een aftrekbare beroepskost is voor de borgsteller, niet de feitelijke omstandigheden op het ogenblik van de betaling in overweging moeten genomen worden, doch wel de omstandigheden op het ogenblik van het stellen van de borg. Het feit dat de borg gesteld werd met het doel belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, verleent niet alleen aan deze borg maar ook aan al zijn gevolgen een beroepsmatig karakter. In welke omstandigheden de effectieve betaling uiteindelijk geschiedt, is van ondergeschikt belang.

    Deze rechtspraak schijnt nu gevolgd te worden door de meeste Hoven van Beroep.

    Een interessante casus werd behandeld door het Hof van Beroep van Bergen in een arrest van 19 september 1997. De vraag stelde zich of een bestuurder die geen periodieke bezoldigingen ontvangen heeft van de vennootschap waarvoor hij zich borg stelde, toch de gedane betalingen in uitvoering van de borgstelling als beroepskosten in aftrek mag brengen. De belastingplichtige stelde dat hij in het verleden steeds belast is geworden op voordelen van alle aard zodat de aftrek toch aanvaard zou moeten worden.

    Het Hof bevestigde het standpunt van de belastingplichtige op basis evenwel van artikel 53, 15° WIB/92. Dit artikel schrijft voor dat de verliezen van vennootschappen die bestuurders en werkende vennoten (thans bedrijfsleiders) ten laste nemen, in beginsel niet voor aftrek als beroepskosten in aanmerking komen. Indien echter de tenlasteneming geschiedt door (I) de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som (II) voor het behoud van beroepsinkomsten welke de belastingplichtige periodiek uit de vennootschap verkrijgt en (III) de aldus betaalde sommen door de vennootschap volledig worden aangewend voor de aanzuivering van haar verliezen, kan de aftrek toch worden aanvaard. In het hier besproken arrest bevestigde het Hof te Bergen dat ook voordelen van alle aard voor de toepassing van art. 53, 15° WIB/92 als beroepsinkomsten kwalificeren. In casu stelde het Hof vast dat de belastingplichtige, voordat hij door de bank als borg werd aangesproken, gedurende drie belastbare tijdperken belastbare voordelen had genoten. Dit standpunt kan worden bijgetreden aangezien de tekst van art. 33, tweede lid, 2° WIB/92 voordelen van alle aard zonder meer met beroepsinkomsten gelijkstelt. In het voorliggend geval had het Hof van Beroep de aftrek ook kunnen toestaan op grond van art. 49 WIB/92.

  • De vierde voorwaarde, dat de echtheid van het bedrag moet verantwoord worden door middel van bewijsstukken, stelt meestal geen problemen. Alle bewijsmiddelen van gemeen recht zijn toegestaan, maar een voorkeur wordt gegeven aan facturen, fiscale ontvangstbewijzen of elk ander stuk dat door enige wettelijke of reglementaire bepaling is opgelegd.

Besluit

Volgens vaststaande rechtspraak komen sommen die een bestuurder of zaakvoerder betaalt ten gevolge van een borgstelling ten voordele van de vennootschap waarin hij een werkelijke functie bekleedt, voor aftrek in aanmerking, indien deze uitgave wordt gedaan teneinde inkomsten uit deze vennootschap te behouden of te verkrijgen (Cass. 30 januari 1962, Pas., 1962, I, p. 633; Brussel, 12 december 1984, A.F. T., 1985, p. 70; Brussel, 19 februari 1985, F.J.F., No. 86/44; Luik, 4 juni 1986, F.J.F., No. 86/170; Brussel, 10 november 1995, F.J.F., No. 96/8; ). In de praktijk gebeurt de uitwinning van de borgsteller dikwijls na de faling van de vennootschap. Gezien de bestuurder of zaakvoerder op dat ogenblik geen inkomsten meer kan behouden of verkrijgen uit de vennootschap, is de Administratie meestal geneigd om de aftrek van de gewaarborgde bedragen te weigeren. Volgens de rechtspraak volstaat het echter dat de borgstelling geïnspireerd is door de bedoeling beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden op het ogenblik waarop de borg wordt gesteld en niet op het ogenblik van de uitwinning van de borgsteller (Cass. 17 december 1970, J. T., 1971, p. 216; Antwerpen, 14 september 1993, F.J.F., No. 94/80, Antwerpen 9 januari 1995, F.J.F., 1995, 230; Antwerpen, 2 mei 1995, F.J.F., No. 95/150; Brussel, 20 november 1997, F.J.F., No. 98/162).

Print


© 2000-2005 Advocatenkantoor Jan Bergmans