Tel.: (+32) 03 / 844.25.60
Eikenstraat 80 - B-2840 Rumst-Reet
Fax: (+32) 03 / 844.05.17 - E-mail: advocaat@bergmans-law.be

Print

Publicaties: Voordelen van alle aard

I. Historisch

Het begrip 'voordeel van alle aard' werd door de wetgever voor het eerst gebruikt in de Wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-80.

Daarvoor sprak men van 'voordeel in natura'. Sinds de wetswijziging zijn onder de beroepsinkomsten begrepen &qout;de voordelen van alle aard, verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid&qout;.

De term 'voordelen van alle aard' is in ieder geval ruimer dan het oude begrip 'voordelen in natura'. De nieuwe notie omvat alle voordelen zonder onderscheid naar aard. Aldus is er meer duidelijkheid geschapen. Ten tijde van de oude terminologie ontstonden immers geregeld betwistingen tussen belastingplichtigen en de belastingadministratie in verband met de vraag of een voordeel al dan niet belastbaar was.

Met de wetswijziging werd elke twijfel weggenomen: alle voordelen verleend in het kader van een beroepsactiviteit zijn, onder voorbehoud van het vervullen van de daartoe gestelde wettelijke vereisten, belastbaar als beroepsinkomen.

II. Belastbaarheid van de voordelen van alle aard

  • Algemeen

    Voordelen van alle aard zijn slechts belastbaar wanneer, en in de mate dat, ze zijn behaald &qout;uit hoofde of naar aanleiding van de uitoefening van de werkzaamheid&qout;. Op grond van deze wetsbepaling wordt in het algemeen aangenomen dat voor de belastbaarheid van voordelen van alle aard vereist is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en de verwerving van het voordeel. Het feit dat het voordeel wordt geschonken aan een derde is irrelevant besliste het Hof van Beroep van Gent voor de belastbaarheid ervan in hoofde van de oorspronkelijke ontvanger van het voordeel. Of er een oorzakelijk verband bestaat is een feitenkwestie, die in ieder concreet geval afzonderlijk moet worden beoordeeld. Alleszins dient steeds een band met de beroepswerkzaamheid te worden aangetoond. Vanzelfsprekend ligt de bewijslast bij de administratie. Het Hof van Beroep van Bergen ging in een arrest van 24 juni 1994 hierin zeer ver. Het Hof stelde dat om belastbaar te zijn het voordeel zijn oorzaak moet vinden in prestaties die door de bezoldigde worden geleverd. Om belastbaar te zijn volstaat het m.a.w. niet dat de administratie aantoont dat het toegekende voordeel zijn oorzaak vindt in de arbeidsrelatie, de administratie dient eveneens te bewijzen dat het voordeel zijn oorzaak vindt in effectieve arbeidsprestaties en er de tegenprestatie van vormt. Dat voor de belastbaarheid van een voordeel van alle aard alleszins een oorzakelijk verband tussen het verleende voordeel en de door de bezoldigde geleverde prestaties dient bewezen te worden, volgt uit de aanhef van art. 31 W. I. B. 92 dat betrekking heeft op de bezoldiging van werknemers. De wet beschouwt immers als bezoldigingen van werknemers: alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van de werkgever.

    In het geval dat het Hof van Beroep van Bergen te beoordelen kreeg betrof het een importeur van personenwagens die telkens een personeelslid een wagen van het eigen merk kocht, een korting van 20% op de catalogusprijs verleende. De administratie der directe belastingen beschouwde deze kortingen als voordelen van alle aard. Het Hof van Beroep te Brussel gaf de administratie hierin gelijk, doch het arrest werd door het Hof van Cassatie verbroken en de zaak werd verwezen naar het Hof van Beroep van Bergen. De vennootschap verdedigde de stelling dat de handelskortingen die ze verleende in hoofde van de personeelsleden niet belastbaar waren aangezien de arbeidsprestaties van haar personeel niet de oorzaak of oorsprong, maar enkel de aanleiding waren voor de toekenning van de kortingen. De hoofdbedoeling van de personeelskortingen lag niet in het belonen van het personeel, doch was wel commercieel en promotioneel. Door de verkoop van de wagens aan het eigen personeel wenste de vennootschap in hoofdzaak de verkoop van de wagens van het eigen merk te promoten en aldus bij te dragen tot het behouden of het uitbreiden van het marktaandeel. Het grote publiek dat vaststelt dat het eigen personeel wagens van het eigen merk aankoopt, zou gestimuleerd worden hetzelfde te doen en zou meer vertrouwen krijgen in het verdeelde automerk. geen aanleiding konden geven tot belasting. De administratie daarentegen was van mening dat het oorzakelijk verband tussen het toestaan van de kortingen en de beroepsactiviteit van het personeel bewezen was: zonder tewerkstelling in de betrokken onderneming hadden de personeelsleden nooit van het voordeel kunnen genieten. Het Hof van Beroep van Bergen oordeelde dat de administratie niet het bewijs leverde dat de toegekende kortingen werkelijke beloningen waren en dat de commerciŽle en promotionele motieven bijkomstig zouden zijn geweest. Volgens het Hof is het aldus voor de belastbaarheid van een voordeel van alle aard niet voldoende dat het voordeel zijn oorzaak vindt in de arbeidsrelatie.

    Om belastbaar te zijn moet volgens dit arrest het voordeel een bezoldigend karakter hebben. Dit betekent dat het door de werkgever toegekende voordeel de tegenprestatie moet vormen van de door de werknemer geleverde arbeid.


  • Welke categorieŽn?

    De ondernemers, de beoefenaars van vrije beroepen, de loon- en weddetrekkenden, de bestuurders, zaakvoerders en vereffenaars of personen met gelijkaardige functies zijn belastbaar op de voordelen van alle aard die ze uit hoofde of ter gelegenheid van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid halen.

    Stille vennoten of gewone aandeelhouders behoren dus niet tot de categorieŽn van belastingplichtigen die op voordelen van alle aard kunnen worden belast.


  • Bestuurders: een bijzondere categorie

    Volgens het Hof van Cassatie is het, opdat een voordeel van alle aard in hoofde van een bestuurder belastbaar zou zijn, in tegenstelling tot wat geldt voor andere beroepscategorieŽn, niet noodzakelijk dat het voordeel als tegenprestatie voor een beroepswerkzaamheid wordt toegekend. Voor een bestuurder zou aldus niet als voorwaarde gesteld worden dat de bezoldiging een opbrengst vormt van arbeid of een beroepsprestatie.

    De voordelen zijn eveneens belastbaar indien ze onrechtstreeks of rechtstreeks zijn toegekend aan de familieleden of aan de leden van het feitelijk gezin van de bedrijfsleider.

III. Waardebepaling van voordelen van alle aard

Voordelen van alle aard moeten door de genieter in beginsel voor de werkelijke waarde (inclusief BTW) worden aangegeven, d.w.z. voor het bedrag dat hij in normale omstandigheden meer zou hebben moeten uitgeven indien hij het voordeel niet zou hebben genoten. In een aantal gevallen is de waarde van het voordeel evenwel forfaitair vastgesteld. Ten titel van voorbeeld:
  • Kosteloze verwarming en elektriciteit: het voordeel wordt geraamd op:
    • 48.000 fr. per jaar voor verwarming en 24.000 fr. per jaar voor elektriciteit voor woningen bewoond door leidinggevend personeel.
    • 24.000 fr. per jaar voor verwarming en 12.000 fr. per jaar voor elektriciteit voor andere genieters.
    Wordt het voordeel van verwarming en elektriciteit slechts gedurende een gedeelte van het jaar genoten, dan wordt dit voordeel tijdsevenredig bepaald.


  • Kosteloze beschikking over dienstboden, hoveniers, chauffeurs, enz.

    Het voordeel van het kosteloos kunnen beschikken over dienstboden, hoveniers, chauffeurs, enz. bedraagt bij bestendig gebruik forfaitair 240.000 fr. per persoon in dienst.


  • Kosteloos collectief vervoer

    Het voordeel van door de werkgever georganiseerd kosteloos collectief vervoer is niet belastbaar.


  • Kosteloze opvang van kinderen

    Het voordeel van door de werkgever georganiseerde kosteloze opvang van kinderen is niet belastbaar.
  • Deze laatste twee voordelen zijn eigenlijk 'sociale voordelen', die ingevolge art. 38, 11į W.I.B. 92 vrij zijn van belasting.

IV. Kosten eigen aan de werkgever

De 'voordelen van alle aard' en de 'sociale voordelen' mogen zeker niet verward worden met de vergoedingen die worden betaald als kosten eigen aan de werkgever. Deze vergoedingen zijn in principe niet belastbaar, daar in essentie de werkgever kosten terugbetaalt die de werknemer voor hem gemaakt heeft. Nochtans wordt hier ook al wel eens 'creatief' mee omgesprongen en in het licht daarvan heeft het Hof van Beroep van Antwerpen op 15 februari jl. twee interessante arresten geveld:

ARREST 1
In de eerste zaak ontving een algemeen directeur van zijn vennootschap maandelijks een forfaitaire vergoeding van 10.000 fr. Volgens de directeur was deze vergoeding niet belastbaar, daar het zou gaan om terugbetaling van 'kosten eigen aan de werkgever'. Volgens de Administratie ging het om een belastbare verdoken bezoldiging. Het Hof van Beroep heeft in deze zaak nog eens duidelijk de principes inzake de bewijslast bij 'kosten eigen aan de werkgever op een rij gezet. Dergelijke kostenvergoedingen genieten &qout;ten voordele van de werknemer een vermoeden van niet-belastbaarheid.&qout; Dit vermoeden wordt niet teniet gedaan door het feit dat de werkgever, noch de werknemer de nodige bewijsstukken kunnen voorleggen. En evenmin door het feit dat de vergoedingen een forfaitair karakter hebben. Maar... Volgens het Hof van Beroep te Antwerpen mag de Administratie steeds het tegenbewijs leveren dat het in feite om verdoken bezoldigingen gaat. Dit tegenbewijs mag volgens het Hof worden geleverd door te wijzen op &qout;het onredelijk of niet verantwoord karakter van de vergoedingen, in acht genomen de feitelijke gegevens van het ossier&qout;. Volgens het Hof was dat hier het geval aangezien:
  • De vergoedingen in de boekhouding geboekt stonden onder de vage omschrijving 'bestendige opdracht'.
  • De belastingplichtige algemeen directeur geen precieze omschrijving kon geven van de kosten die de vergoedingen zouden moeten dekken. De algemeen directeur kwam niet verder dan dat het ging om 'reisvergoedingen' of 'representatiekosten', zonder verdere precisering.
Ook al ligt de bewijslast bij de Administratie, de belastingplichtige moet van zijn kant toch 'aannemelijk' kunnen maken dat de kosten ter dekking waarvan de vergoedingen worden uitbetaald, werkelijk bestaan. Ondanks herhaalde verzoeken, bleek de belastingplichtige in casu deze informatie niet te kunnen geven. In dergelijke omstandigheden heeft de Administratie volgens het Hof van Beroep te Antwerpen terecht de kostenvergoedingen in hoofde van de belastingplichtige belast als een verdoken bezoldiging.

ARREST 2
Het tweede arrest is ook bijzonder interessant. Hier ging de Administratie er in hoofde van de vennootschap vanuit dat de forfaitaire kostenvergoedingen toegekend aan de zaakvoerder in feite een verdoken bezoldiging vormden. Met de geheime commissielonenaanslag als gevolg, vermits die bezoldigingen niet op de voorgeschreven wijze op de loonfiche van de genieter waren vermeld. De vennootschap stelde evenwel dat het ging om vergoedingen die het karakter hadden van terugbetaalde kosten eigen aan de werkgever. Aldus zouden zij geen belastbare bezoldigingen vormen. Het Hof van Beroep stelt in deze zaak dat de vergoeding voor kosten eigen aan de werkgever voor de werknemer in principe niet belastbaar zijn en dat de werknemer zich terzake kan beroepen op een vermoeden van niet-belastbaarheid. In hoofde van de werkgever zijn de betaalde vergoedingen in principe aftrekbare beroepskosten, maar, in tegenstelling tot de werknemer, kan de werkgever zich terzake op geen enkel vermoeden beroepen. De werkgever moet volgens de normale bewijsregelen het bedrag, de werkelijkheid en het beroepsmatig karakter van de kosten kunnen aantonen. In casu leverde de vennootschap dit bewijs niet. Uit het feit dat de vennootschap de kosten die de vergoedingen zouden moeten dekken niet kon verantwoorden, kon de Administratie volgens het Hof afleiden dat het in feite om bezoldigingen ging die moesten worden verantwoord aan de hand van individuele fiches en samenvattende opgaven. Vermits dit laatste niet is gebeurd, werd de geheime commissielonenaanslag volgens het Hof terecht gevestigd. Waakzaamheid blijft dus geboden!

Print


© 2000-2005 Advocatenkantoor Jan Bergmans